blog

Een les in bescheidenheid

Architectuur

Een paar weken geleden was ik te gast bij de Streetpitch, een avondvullende Pecha Kucha-achtige bijeenkomst waar landschapsarchitecten een project uit het afgelopen jaar in korte tijd aan het publiek mochten presenteren. Vijftien presentaties achter elkaar van plannen die door een voorselectie waren gekomen, en na afloop een jurering onder leiding van Eric Luiten. Dat zijn leuke bijeenkomsten: een scala aan leuke plannen, presentaties, kwaliteiten. Prikkelend en motiverend.

Een les in bescheidenheid

 

En confronterend. Maar dat was misschien omdat ik de dag ervoor net een tekst van de filosoof Cornelis Verhoeven (1928-2001) had gelezen.* Of tekst, een lezing eigenlijk. Een lezing voor een gezelschap architecten. En die begint hij als volgt:

“Wat mij in gesprekken met architecten en in lectuur over het onderwerp ‘bouwen’ dikwijls opvalt en, eerlijk gezegd, soms ook wel een beetje hindert, is dat zij gewoonlijk van een zo brede, bijna wereldomvattende visie getuigen.”

De toon is gezet. Hij vervolgt:

“Ik gebruik met opzet het woord ‘getuigen’ om de mogelijkheid open te laten, dat zo’n visie ook bedoeld is om daarmee een publiek van buitenstaanders en leken te imponeren en tot geloven te bewegen.”

En alsof dat nog niet genoeg is, voegt hij er even later aan toe:

“Met die visie kunnen ook de pretenties van architecten groeien tot een formaat dat ik als particulier en leek helemaal niet meer kan behappen. Zij willen bouwers worden van hele wijken, parken en steden, de structuur bepalen van zo ongeveer de hele wereld en de inrichters worden van de hele samenleving, compleet met een sociaal stelsel.”

Landschapsarchitecten, zo viel me die avond op, hebben die neiging he-le-maal niet. Ik schreef in mijn aantekeningen: ‘mensen op straat te brengen’ en ‘mensen ontmoeten op straat’, ‘nodigt uit tot zitten’. Dat soort omschrijvingen, zonder dat de ontwerpers het perspectief verder trokken dan wat ze zelf konden maken en in alle redelijkheid konden verwachten. Ik hoorde toewijding, liefde voor het ontwerp, voor de wereld en voor de mensen die de landschappen, tuinen en pleinen zouden gaan gebruiken. Geen verwijzingen naar onleesbare teksten van obscure of hippe filosofen, geen grootse vergezichten over de techniek, die nu de wereld op zijn kop zal zetten en ons zal helpen de ruimte te laten draaien en torderen om de allerindividueelste plekken te maken in een generiek landschap, en al helemaal geen grootschalig sociale ingenieurskunst. Een verademing.

Maar zelf moest ik in de pauze, toen de jury zich voor beraad had teruggetrokken, een lezing geven, die juist voor het grootste gedeelte ging over dat wat zich achter de horizon van het ontwerp ligt – een verhaal dat ik op voorhand ook relevant achtte voor het domein van de landschapsarchitectuur. Ik zou het gaan hebben over het publieke domein, de publieke ruimte en haar politieke dimensies. Filosofische perspectieven, dus, waarmee ik me dagelijks bezighoud om de architectuur mee te begrijpen. Waarmee ik wellicht Verhoevens opmerkingen méér dan waar maakte. Verhoeven, vergeef me.

Het plan dat die avond won, was trouwens Le Jardin de la Bière van Joost Emmerik, die overigens nu, in de zomer, op zijn mooist is. Een prachtig ingetogen ontwerp, die avond ook surfend op ons verlangen naar een biertje. Ook al zo eenvoudig. Wat doe ik eigenlijk moeilijk?

* Cornelis Verhoeven, ‘Wonen: hebben en houden’, in: Cornelis Verhoeven Jacques De Visscher, Voorbij alle vanzelfsprekendheid, Over de nabijheid van de dingen en de omweg van het denken, Zoetermeer 2012, Uitgeverij Klement

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels