blog

Architect: man zonder ziekte?

Architectuur

In Arnon Grunbergs laatste roman ‘De man zonder ziekte’ reist een jonge, idealistische architect naar Irak met het winnende ontwerp voor een operagebouw onder zijn arm. Volgens hem moet een architect het leven van mensen mooier en comfortabeler maken. Maar door het ongeluk dat hem daar treft, komt hij tot nieuwe inzichten.

Architect: man zonder ziekte?

 

 

Architecten spelen niet heel vaak een rol in romans. Als ze er al in voorkomen, zijn het meestal prototypes van moderne rijken. Ze hebben glamour, ze verdienen zonder al te veel moeite veel geld en vaak zijn ze een tikje verdorven.

Niets van dat alles in ‘De man zonder ziekte’, de nieuwe roman van Arnon Grunberg die ik afgelopen weekend in een ruk heb uitgelezen. Hoofdpersoon is de jonge, idealistische architect Samarendra (of Sam) Ambani die ervan droomt in Irak een operagebouw te gaan bouwen. Sam is ervan overtuigd dat hij als architect het geluk van veel mensen kan beïnvloeden. Volgens hem is een architect “de grote, anonieme beïnvloeder van andermans geluk”.

Voor Ambani is de beroemde architect Max Fehner een gids, profeet en halfgod tegelijk. Deze sterarchitect houdt de wereld voor, dat architecten mensen niet alleen een dak boven het hoofd geven, maar ook hun identiteit beïnvloeden. Architecten moeten de gelegenheid krijgen om de wereld vorm te geven. En waar anders kan dat nu het beste dan in het Midden en Verre Oosten?

Dienstbare architect

Ook Ambani profileert zich in de voetsporen van zijn leermeester als een toegewijde architect, die de schoonheid en het gebruiksgemak wil dienen. Als hij samen met twee andere architecten de prijsvraag voor een operagebouw in Bagdad wint, reist hij dan ook verwachtingsvol naar Irak om zijn opdrachtgever te ontmoeten.

Maar eenmaal aangekomen blijkt deze te zijn vermoord en kantelt zijn perspectief. Zijn ervaringen met nieuwe, potentiële klanten brengen hem tot het inzicht dat de architect slechts een dienaar is, in het beste geval een getalenteerde dienaar die het anderen naar de zin moet maken.

Tekenend zijn de gedachten die bij hem aan de rand van een artificiële skipiste in Dubai bovenkomen over de openbare ruimte. “In de shopping mall is vooral de functie van de openbare ruimte als rollend tapijt duidelijk te herkennen, bedoeld om de klant van de ene winkel naar de andere te transporteren, van het ene genot naar het volgende, van de ene ervaring naar nog een veel betere ervaring.”

Duivels dilemma

Als een jonge veelbelovende architect wil opvallen, moet hij de tegengestelde richting uit bewegen, had zijn leermeester Fehmer hem tijdens zijn stage voorgehouden. Moet je zien wat mij dit heeft opgeleverd, schampert Ambari als zijn einde nadert.

Hij komt tot het inzicht, dat de weg naar Fehmer is afgesloten. “Wij kunnen de gebruikers niet onze interpretatie van de ruimte opdringen. Het is zijn interpretatie. We staan machteloos tegenover zijn interpretatie. We mogen hopen dat hij de deur die wij voor hem hebben ontworpen zal openen.” Maar ook het alternatief waar hij zelf op uitkomt, werken voor het geld, lijkt geen aantrekkelijk perspectief te zijn. Grunberg’s boek zadelt ons op met een dilemma.

Kunnen we daar uitkomen? Ik moest terugdenken aan het korte interview in NRC-H met kunstcriticus Boris Groys, naar aanleiding van diens tentoonstelling ‘After History’ in BAK te Utrecht. Hij hekelt daarin de gelijkstelling van kunstwereld en kunstmarkt. “Kranten schrijven over extreem hoge bedragen die op veilingen worden betaald, over extreem rijke verzamelaars op decadente evenementen en over succesvolle galeries. Politici gaan zich vervolgens afvragen waarom ze de kunstwereld met publieke gelden nog zouden moeten steunen.”

Een zelfde beweging doet zich voor in de architectuur. Ook daar is het spectaculaire het enige waarover je hoort en leest. In de beeldvorming worden architecten door het grote publiek gezien als ontwerpers van projecten met een hoge attentiewaarde. Deze manier van presenteren van architectuur vormt in toenemende mate een blok aan het been voor de architectuur zelf.

Balans vinden

Ziet Groys een oplossing? Vroeger was een kunstwerk een geëngageerd statement en een waardevol object. Maar, merkt Groys op, opeens is de publieke en ideologische kant aan het verdwijnen. Kunst wordt steeds meer gelijkgesteld met design. Ook de politiek beweegt die kant op. De bezuinigingen zijn daarmee een symptoom voor een veel dieper gaande malaise. Hij vindt dan ook dat we zouden moeten proberen de balans tussen publieke functie en design opnieuw te formuleren.

Voor architectuur lijkt me dit ook wel wat. Zou dat lukken in een samenleving die doordrenkt is van het geloof in de markt?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels