blog

Architectuur met een warm hart

Architectuur

Kun je met architectuur de samenleving maken? Dat is een vraag die ons al vergezelt zolang ons vak bestaat.
<br /><br />
Vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog waren architecten en stedenbouwers ervan overtuigd dat dit kon. Tegenwoordig vinden we volgens mij dat de samenleving sowieso niet maakbaar is, laat staan met architectuur.

Architectuur met een warm hart
01-11-2011, Amsterdam, Poeldijkstraat. Thuis en daklozen wonen bij HVO in het nieuwe pand aan de Poeldijkstraat. foto en copyright leonard faustle

 

Maar wat kan architectuur dan wel? Die vraag houdt ons bezig sinds we de opdracht kregen voor het ontwerp van een Thuis voor Daklozen aan de Poeldijkstraat in Amsterdam-West.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een dakloze als zijn of haar omgeving compleet verandert? En andersom, welke invloed heeft een vanuit architectonisch oogpunt bedachte omgeving op het leven van een dakloze?

 

Veel opvangcentra voor daklozen kenmerken zich door deprimerende, naar ontsmettingsmiddel ruikende gangen, met aan weerszijde deuren en met linoleum op de vloer. Bij het centrum aan de Poeldijkstraat is dat anders. Want, geïnspireerd door de jaren ’50 omgeving dicteren de stedenbouwkundige randvoorwaarden een gebouw met ‘optimistische’ architectuur. Daarmee wordt bedoeld: met dezelfde begeestering en optimisme als waarmee de jaren ’50 architectuur destijds was bedacht.

We besloten dat voor een opvangcentrum voor daklozen, voor wie naast de woestijn van het dakloos zijn dit hun enige thuis is, een gebouw niet alleen optimisme uitstraalt naar buiten, maar ook naar binnen. Daarom heeft het gebouw eikenhouten parketvloeren en gangen met aan slechts een zijde deuren. De andere kant heeft ramen met uitzicht op het bewegende panorama van de A-10. En de gangen eindigen niet met een bordje ‘nooduitgang’ maar met een verbrede plek voor een zitje.

Het Thuis voor Daklozen is nu een jaar in gebruik en onlangs bezochten we het gebouw om te zien wat het met zijn gebruikers doet. We kwamen een bewoner tegen die de hele dag op zijn witte tennissokken over de houten vloeren van het gebouw loopt. “Ik ben toch thuis!”, antwoordde hij toen we hem daar naar vroegen. En een andere bewoner, die door zijn gedrongen postuur en grote witte baard de tuinkabouter wordt genoemd, geeft alle planten in het gebouw water, kweekt ze en beheert de planten van de daktuin. Hiermee en met de inrichting van zijn keukenkastje kan hij zijn esthetische gaven kwijt voor compositie en kleur: alle pakjes soep en zakjes thee gerangschikt op kleur en afmeting.

Tegelijkertijd geven de bewoners het gebouw ook kleur en brengen het door hun aanwezigheid tot leven. Zo heeft een bewoner met een verzameling van 160 honkbalpetjes, keurig in slagorde vastgespijkerd aan de muur van zijn kamer, zich alle ramen toegeëigend die hij allemaal lapt. “Het zijn er wel veel hoor”. En een ex-kok die, getuige het aantal keren dat zijn naam in het hokje ‘koken’ van het corvee-rooster staat, zich voor de hele week inroostert om voor zijn afdeling te koken.

En dan de gewezen goudsmid. Die gebruikt het gebouw echt. “In mijn kamer is de tafel om mijn krant aan te lezen en mijn bed om in te slapen.” Hij wast altijd eerst zijn handen op zijn kamer om vervolgens in een keurig colbert naar de eetzaal te gaan. Zijn aanwezigheid maakt deze ruimte meteen tot een restaurant.

 

Voor deze daklozen is door de architectuur hun huis een hoeksteen die hen laat opleven en terugbrengt in hun stap op de maatschappelijke ladder, daarmee geven de gebruikers het huis betekenis.

Dus om de hamvraag te beantwoorden: Met architectuur kun je de samenleving niet maken, maar architectuur kan het leven wel makkelijker maken. Hoe? Door een warm hart.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels