blog

Architectuur en Literatuur

Architectuur

Vorige week zaterdag was ik te gast in Paradiso bij ‘Het verhaal van Nederland’, een programma over de vraag wat de architectuur van de literatuur kan leren. In drie bijeenkomsten wordt de vraagstelling opgehangen aan drie schaalniveaus: landschap (afgelopen oktober), de stad (vorige week zaterdag) het gebouw (15 december aanstaande).

Architectuur en Literatuur

 

Het was een intrigerende bijeenkomst van lezingen, rondetafelgesprekken, ontwerppresentaties en literaire bijdragen van studenten en architecten uit de school van TU-docent Klaske Havik – zelf onlangs gepromoveerd op het onderwerp –, ingeklemd tussen bijdragen van architectuurhistoricus Vincent van Rossem en architectuurcriticus en journalist Max van Rooij. De eerste deed zijn reputatie en die van zijn familie eer aan en beantwoordde de vooraf geformuleerde vraag ronduit met ‘niets’. ‘Leren we Amsterdam Oost beter kennen door Nescio te lezen, en Parijs door ons te verdiepen in het werk van Louis Ferdinand Céline?’ vroeg hij zich retorisch af. Van Rooij’s bijdrage – een magistrale mengeling van zijn onderzoek naar Berlage, zijn ziekte, zijn ‘laatste’ stadswandeling en zijn recente ervaringen van de stad vanuit de rolstoel – beantwoordde de vraag niet expliciet, maar was in zijn literaire kwaliteiten een hartgrondig ‘ja’. Een ‘ja’ tegen de stad en een ‘ja’ tegen de literatuur. De zaal hield de adem in. Na dit persoonlijke verhaal was elk woord er één teveel, dat voelde dagvoorzitter Bert van Meggelen feilloos aan.

Ruimtelijke impact

De gestelde vraag is fascinerend. Je hoeft geen lezer van poëzie of romans te zijn om de relevantie ervan te begrijpen: ook de andere grenzen van het vakgebied – (beeldende) kunst, filosofie, sociologie, antropologie, psychologie, technologie – kunnen op eenzelfde manier geëxploreerd worden. De drang daartoe is, denk ik, telkens hetzelfde: een combinatie van de complexiteit van de architecturale context en bronnen tezamen met de grote impact van de architectuur – waartoe ik hier voor het gemak ook maar even de stedenbouw en de landschapsarchitectuur reken – op deze context. Maatschappelijke vragen hebben ruimtelijke impact, terwijl tegelijkertijd het die impact is die de maatschappelijke ontwikkelingen duidelijk en tastbaar maken. Shoppingmalls en gated communities zijn daar natuurlijk voor de hand liggende voorbeelden van, maar het geldt natuurlijk net zo goed voor VINEX-wijken, gentrificerende binnenstadswijken, (leegstaande) kantoorparken en onafgebouwde villa’s. Maatschappelijke ontwikkelingen komen vroeg of laat op het bordje van ontwerpers, die er in letterlijke zin vorm, massa en tastbaarheid aan geven.

De noodzaak belendende (vak)gebieden te onderzoeken op hun relevantie voor het architectonisch ontwerp komt daarom neer op de vraag ‘hoe vorm te geven aan de wereld?’ Waarop baseert de ontwerper zich? Wat voegt de architectuur toe? En hoe komt de architect aan zijn ‘begrip’ van de wereld waarin hij intervenieert?

Combinatie van zintuigen

Een antwoord op de vraag wat literatuur daar aan kan bijdragen is in ieder geval tweeledig. Om te beginnen kan de literatuur op een andere manier laten zien aan de architect hoe de ‘stad’ en ‘samenleving’ functioneren. Hoe mensen zich bewegen door de stad, wat hen opvalt en bijblijft – dat is een andere vorm van analyse dan architecten gewoonlijk beoefenen. En bovendien, dat is het tweede punt, wijst de literatuur de architect op de sensorische dimensie van de ruimtelijke omgeving, op alles wat voorbij gaat aan het beeld. Het realisme van de stad is veel meer dan slechts beeld en ruimte, of het fotorealisme van de rendering. Realisme is de combinatie van zintuigen.

Ingrijpen in de natuur

Wat ik daar vorige week zaterdag aan toe wilde voegen was echter iets anders. Ik gebruik hierboven bewust het woord ‘wereld’ in de vraag: hoe vorm te geven aan de wereld? Ik ontleen het woord aan het werk van de filosofe Hannah Arendt. De ‘wereld’ staat bij Arendt voor de manier waarop we de aarde inrichten: de objecten die we eraan toevoegen om de aarde leefbaar te maken. Zonder het ingrijpen in de natuur, stelt Arendt, is er geen menselijk leven mogelijk op de aarde. We moeten de aarde cultiveren, van de aarde een wereld maken, dat behoort tot de essentie van het mens-zijn.

Gedeelde wereld

Deze wereld die wij scheppen is volgens Arendt wel per definitie een gedeelde wereld: we bezitten hem niet alleen gezamenlijk, het is niet alleen onze gezamenlijke context, maar we vormen hem ook gezamenlijk. Het is de wereld die ons bindt. Kort door de bocht gesteld – Arendt spreekt er zelf niet over – kunnen we gerust stellen dat deze wereld goeddeels wordt vormgegeven door architecten, stedenbouwers, landschapsarchitecten. Met hun artefacten, hun gebouwen, stedenbouwkundige plannen, ruimtelijke interventies en ordeningen, geven ze het leven ruimte, plaats, tijd, tastbaarheid.

Verbindende factor

De crux is mijns inziens dat als het deze artefacten zijn die ons – de mensheid – met elkaar verbindt, de vraag naar het ontwerpen zelf niet alleen fascinerend maar ook maatschappelijk relevant en urgent is. Of stelliger: dat het geen kwestie van (persoonlijke) voorkeur van de ontwerper, opdrachtgever of overheid is, maar een publieke zaak. Het is precies deze urgentie die de vraag naar de grensgebieden van de architectuur relevant maakt: op welke manier kan het architectonisch ontwerpen gezien worden als een publieke zaak, en hoe kunnen de resultaten worden ingebed in de samenleving? Hoe krijgt de architect zicht op zijn taak, gevoel voor de context, de maatschappij, en hoe integreert hij het publieke in het ontwerp(proces)? Literatuur kan daarbij helpen, was mijn stelling tijdens het debat van vorige week zaterdag: literatuur helpt de ontwerper vanuit andere ongedachte perspectieven en posities te leren kijken en ontwerpen.

Die opmerking kan gratuit lijken. Behoort het niet tot de inherente eigenschappen van architecten na te denken over andere perspectieven? Zeker. Immers architecten hebben gebruikers op het oog, net zo goed als opdrachtgevers. Het publieke belang komt aan de orde via de relatie met de overheid, al dan niet via welstandscommissies, en de buurt en directe omgeving. Ik bedoelde echter iets anders.

Understanding people’s value’s

In de voorbereiding op mijn bijdrage aan de dag werd ik gewezen op de schrijver J.G. Ballard, die expliciet stelt dat literatuur kan bijdragen aan inzicht in de psychologie, sociologie en organisatie van de stad. Van het leven. Literatuur helpt bij het ‘understanding people’s value’s’ – from individual to organizational,’ het begrip van waarden van mensen van nu. Dat is waar de architecturale interventies bij aan moeten sluiten – en dat is denken vanuit andere perspectieven dan het eigen standpunt.

Tacit knowledge

Het is niet zo dat het denken vanuit perspectieven tot ‘post-modern’ relativisme leidt, althans niet als ook de inherente kennis die in de architectuur verborgen zit – de ‘tacit knowledge’ zoals mijn andere naaste collega in Delft, Lara Schrijver, het noemt – onderkend en herkend wordt. Juist de menselijke capaciteit zich in andere perspectieven te verplaatsen om evenwichtig te kunnen oordelen over complexe vraagstukken – ik refereer hier weer naar Arendt – kan niet plaatsvinden zonder het eigene van de materie zelf te onderkennen.

Zoeken naar balans

Het is dus ook weer niet zo dat architecten betere ontwerpers worden als ze zich alleen nog maar bezig houden met de randgebieden. Juist in de gebouwen zelf, in de gebouwde omgeving, in de geschiedenis en in de theorie, is kennis aanwezig die de ontwerper helpt het eigen werk vanuit andere perspectieven te zien, te beoordelen en daardoor in te bedden in het geheel van de ‘wereld’. Het is zoeken naar een balans tussen de eigen en andere posities, tussen de inherente kennis en de inzichten uit andere vakgebieden. Ik denk dat de literatuur daaraan bijdraagt: het helpt ons met andere ogen te zien, zonder de eigen waarde(n) van de architectuur uit het oog te verliezen.

Draai het om

Omgekeerd vind ik de vraag van ‘Het verhaal van Nederland’ overigens moeilijker te beantwoorden. Kan de architectuur ook bijdragen aan de literatuur – meer dan romans met architecten in de hoofdrol, de hype van dit moment, of multi-taskende architecten die actief bijdragen aan poëtische beschrijvingen dan wel prozaïsche omschrijvingen? Wat als de inherente kennis en het beeldende van de architectuur zich inbed in de structuur, opzet, ordening van literaire teksten? Die vraag kwam vorige week zaterdag niet aan de orde, maar is minstens zo belangrijk in een samenleving die meer en meer gedomineerd wordt door beeld(vorming), beeld en nog eens beeld.

 

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels