blog

Requiem voor de stede(n)bouw

Architectuur

Afgelopen jaar is de stedebouw in ons land officieel opgeheven. Met de vorming van het kabinet Rutte stierf het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu een zachte dood. De inboedel werd verdeeld over twee andere ministeries: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Infrastructuur en Milieu. Hoe ingrijpend deze gebeurtenis ook, je hoorde er werkelijk niemand over.

Requiem voor de stede(n)bouw

 

 

Des te verrassender was het bij de stapel zomerpost het nodige drukwerk tegen te komen waarin op een omzichtige manier, zonder enige verwijzing naar genoemde calamiteit, wordt gepleit voor een revitalisering van het vak stedebouw.

Stedebouw beleefde zijn hoogtepunt in de periode 1920-1970. Vanaf de jaren zestig werd haar positie steeds hachelijker. Het postmodernisme van de jaren zeventig maakte een einde aan de grote verhalen die het stedebouwkundige handelen tot dan toe hadden gelegitimeerd. Niet veel later werd het werkveld van de stedebouw geprivatiseerd en ging de stedebouw kopje onder in de onvoorspelbaarheid van de mondiale ontwikkelingen.

Beide bewegingen hangen sterk met elkaar samen. Want als criteria er niet meer toe doen, resteert alleen nog de markt. Stedebouw heeft zich dat grotendeels laten welgevallen. Dit gebrek aan participatie begint zich nu te wreken.

Het manifest ‘Stedenbouw als veranderkracht’ is hier een reactie op en wil een uitdagend perspectief voor de vakgemeenschap formuleren. “Professionaliseren van het verbindende vermogen en het dienstbaar maken van de verbeeldingskracht”: in het onnavolgbare jargon van het manifest zouden stedebouwkundigen daar aan moeten werken, “ongeacht je positie in het vak”. Het Manifest promoot stedebouw als organisatiekunde. De vraag is echter of je daarvoor stedebouwkundigen nodig hebt.

Het Rotterdamse Stimuleringsfonds voor Architectuur liet vrijwel tegelijkertijd achttien Nederlandse architectuurcentra de stand van zaken in hun stad of regio in kaart brengen. De resultaten zijn gebundeld in twee chique, op vet glimmend papier gedrukte rapporten. Maar doordat ieder centrum zijn eigen lijn volgde, blijven de resultaten steken in een reeks meer of minder interessante opvattingen. De rapporten hebben daarmee iets weg van slagers die hun eigen vlees keuren.

Het meest opvallende is nog wel, dat de blik naar binnen is gekeerd en dat niet naar buiten wordt gekeken. Waarom niet? De stad is van iedereen, zeggen de auteurs van het Manifest. Het fundamentele probleem van dit moment is nu juist dat ze dat niet is.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels