blog

Architectuurkritiek is bijna altijd amateurisme

Architectuur

Waar wordt nog architectuurkritiek bedreven? Door wie? En wat is de toekomst ervan? Deze vragen spelen al een tijdje door mijn hoofd. Om hier antwoorden op te vinden, start ik vanaf nu een serie blogs waarvoor ik experts interview. Niet in de eerste plaats gevestigde namen, maar jonge honden die mogelijk in de (nabije) toekomst het architectuurdebat bepalen.

Architectuurkritiek is bijna altijd amateurisme

 

De eerste jonge expert die ik sprak was Edwin Gardner (1980). We zagen elkaar in Amsterdam, aan de andere kant van het IJ op het terras van Café De Pont. Gardner is afgestudeerd als architect, was vijf jaar webredacteur bij Archis en doet nu onderzoek aan de Jan van Eyck Academie. Even googlen en je ziet dat hij nogal wat websites bijhoudt. “In de eerste instantie doe ik dit voor mezelf, het is een soort archief. Maar je maakt al snel indruk met wat je op het internet doet, waardoor het ook een vorm van persoonsbranding is.”

De proceskant van een ontwerp

De kritische stukken die deze jonge onderzoeker schrijft, gaan vaak over ‘design thinking’, de proceskant van een ontwerp, in plaats van over de uitkomst ervan. Hij reflecteert hierbij bijvoorbeeld op de retoriek die architecten inzetten. Gardner’s eigen achtergrond als ontwerper speelt een grote rol bij deze interesse. Architectuurhistorici hebben nooit de proceskant van het ontwerpen geleerd. De kritieken die zij schrijven richten zich dan ook eerder op het eindproduct dat ze in historisch perspectief plaatsen. “In de architectuur gaat het echter steeds meer over programma en wat zij kan betekenen voor de samenleving. Ik vraag me dan ook af in hoeverre het nog toereikend is om een gebouw enkel als object te behandelen.”

Hans van Dijk en Reyner Benham

“Een waardevolle architectuurkritiek is opgebouwd uit sociale, economische en politieke argumenten,” aldus mijn gesprekspartner. In die zin is Hans van Dijk (1948) – tevens opgeleid als architect – een van zijn voorbeelden. “De context in zijn artikelen komt duidelijk naar voren. In zijn colleges nam hij ook altijd de sociaal economische en politieke context mee, om te laten zijn hoe bepaalde ideeën leiden tot een bepaalde architectuur.” Ook is hij gecharmeerd van de teksten geschreven door Reyner Benham (1922-1988). “Hij is heel scherp en kan door zijn enorme kennis rijk refereren. Daarnaast identificeer ik me met zijn ideeën.”

Beschermde omgeving

Waardevolle kritieken zijn echter doorwrochte artikelen die niet een groot lezerspubliek trekken. “Wie zit nou te wachten op architectuurkritiek? In zekere zin is het onwelkom. Een recensie van een theatervoorstelling is voor het grote publiek relevant. Je gebruikt het om te weten of je er naartoe moet of niet. Een recensie van een gebouw levert niet direct wat op. Het staat er al; het geld is al uitgegeven.” Dit betekent volgens Gardner dat architectuurkritiek een beschermde – met andere woorden gesubsidieerde – plek nodig heeft, zoals een instituut, een academische omgeving of een krant. “Kritiek is van wezenlijk belang, want het draagt bij aan de ontwikkeling en de emancipatie van het vak.”

Olympische Spelen

Vanwege deze ongemakkelijke positie is het zeldzaam dat iemand professioneel architectuurcriticus is. Het is bijna altijd iets wat iemand ernaast doet. “Architectuurkritiek bedrijven is bijna per definitie amateurisme, maar dan in de goede zin van het woord.” Volgens Gardner komt het immers voort uit het feit dat de auteur het uit liefde voor het vak doet. “Hij vindt het van belang erover te schrijven, ook al wordt hij er niet voor betaald. In die zin is het vergelijkbaar met het deelnemen aan de Olympische Spelen van vroeger.”

Obscure blogs

De komst van het internet heeft in die zin de weg vrij gemaakt voor amateurs. Zo wordt er op een groot aantal blogs geschreven over architectuur. “Het waardevolst op het internet is om iets compleet unieks te brengen, want alles wordt overal herkauwd”, vindt Gardner. “Het loont om een obscuur blog te volgen over een heel specifiek onderwerp. Dan heb je een grotere kans dat er tussen de verschillende posts iets interessants zit dan bij blogs die vooral een grote productie draaien.”

Ideeën ontwikkelen

De vraag is echter of deze enorme productie leidt tot kwaliteit. Het voordeel en tegelijkertijd het nadeel van het internet is dat het autoriteit mist. Er zit nog altijd een grote meerwaarde in een goede redactie en een kritische selectie. Blogs kun je volgens de voormalig webredacteur dan ook het beste inzetten om je ideeën te ontwikkelen. “Je zet je idee ruw op een blog. Je kunt wat informeler zijn en wordt niet gehinderd door academische richtlijnen. Vervolgens kun je kijken hoe het bij de lezers landt en wat het oproept. Aan de hand van reacties kun je je argumenten slijpen voor bijvoorbeeld een artikel in een Journal of een vakinhoudelijk tijdschrift.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels