blog

Nederland jaar nul

Architectuur

Stilstand wordt ervaren als achteruitgang. De Franse filosoof Blaise Pascal schreef ooit dat voor de mensheid stilstand niet mogelijk is. De afgelopen drie jaar in Nederland lijken het tegendeel te bewijzen. De drang tot veranderen is echter inherent aan onze conditie. De vraag is alleen waar deze zich nu manifesteert in de architectuur. Twee Nederlandse architecten wijzen de weg.

Nederland jaar nul

 

Afgelopen weekend bezocht ik zoals iedere week mijn moeder in het verzorgingstehuis. Bij de ingang pikte ik De Combinatie op, het sinds jaar en dag verschijnende huis-aan-huisblad in Ridderkerk (ik bracht het blad zelf nog rond). Later die dag las ik het hoofdartikel op pagina een: “Een brug te ver voor Ridderkerk.”

 

Het idee voor een derde Van Brienenoordbrug is geschrapt, meldt dit artikel, maar de brug tussen Ridderkerk en Krimpen aan den IJssel staat nog steeds op de agenda van ‘Rotterdam Vooruit’, een pakket maatregelen waarmee de verkeersproblematiek in deze regio dient te worden opgelost. Hoewel deze brug “het meeste oplossende vermogen” heeft, is de brug niet voor 2020 te verwachten. Krimpen en Capelle zijn voor, Ridderkerk is tegen.

Toen ik jong was, bestonden deze plannen ook al. Je kunt op zijn minst zeggen dat de uitvoering van grote plannen in Nederland niet wil vlotten. De hoeveelheid plannen is nog nooit zo groot geweest, de uitvoering nog nooit zo laag. Afgaande op wat ik afgelopen maanden links en rechts hoorde, durf ik te zeggen: in ons land wordt op dit moment nul komma nul gerealiseerd.

Desperately seeking a secretary

Rotterdam geniet in den lande grote bekendheid als architectuurstad. Op dit moment worden in Rotterdam nog enkele gebouwen uit de vorige cyclus afgebouwd, zoals de Rotterdammer van OMA, de Markthal van MVRDV en het ontwerp van Alsop bij het Kruisplein. De komende periode wil de stad zich ontwikkelen als woonstad. Hoe doen de Rotterdamse architecten het op dit moment? Twee architecten wiens bureaus failliet gingen en die nu langzaam opkrabbelen, geven een antwoord op deze vraag.

In de Quote van april 2011 gaan verslaggever Jordy Hubers en fotograaf Martijn Steiner Lovisa “op stap met Nederlands meest megalomane architect”, zoals de cover enigszins overdreven meldt. Het artikel beschrijft een dag uit het leven van “een van ’s lands grootste en succesvolste architecten”, vanaf de aankomst op het vliegveld van Boedapest tot het diner in het Four Seasons. Gehuld in een strak gesneden pak van de Japanse ontwerper Masatomo en een lammy coat van Dolce Gabbana, bezoekt Erick achtereenvolgens de president van het City Scape Committee, de Nederlandse ambassade en een private investeerder, om zijn gestrande stadhuisproject vlot te trekken. Zonder veel succes overigens.

Van Egeraat laat weten dat voor hem architectuur “een beetje voor god spelen is, want ik wil gebouwen maken die bijna onmogelijk zijn.” En passant geeft hij af op de vastgoedwereld die volgens hem van liegen en bedriegen aan elkaar hangt en de huidige ellende heeft veroorzaakt. Volgens hem moet de overheid corrigerend optreden, gemakshalve vergetend dat juist diezelfde overheid de afgelopen periode het meeste heeft verdiend aan de onroerend goed transacties. Ook de architectuurkritiek krijgt een veeg uit de pan. Die zou ten onrechte denken dat de tijd van dure iconen voorbij is.

“Rotterdamse architecten toch salonfähig?” twitterde de Rotterdamse stedebouwkundige Jeroen de Willigen (van De Zwarte Hond) onlangs opgewonden. Aanleiding was een reportage in NRC Handelsblad over sociale netwerken als Twitter en Facebook, die zich volgens deze krant steeds meer ontpoppen als een ideaal hulpmiddel voor bedrijven en voor mensen op zoek naar een baan.

Als Colette Rooijmans (45) een uurtje later op Twitter had gekeken, had ze haar baan als secretaresse bij Mei Architecten niet gehad, meldt het artikel. Dan was de tweet van haar baas Robert Winkel (geen leeftijd) al weer naar beneden gezakt. “Toen ik de link in zijn tweet opende kwam alles bij elkaar.” De bij het artikel geplaatste foto moet bewijzen dat ze elkaar ook in de fysieke wereld hebben gevonden. Daarop staat Robert achter het raam van zijn appartement. Voor het glas op de galerij staat zijn nieuwe, via Twitter gevonden secretaresse.

Ook op ander vlakken boekt deze architect successen. In de Woonkrant van 16 maart roemt een Rotterdams echtpaar de Schiecentrale. Ze woonden in een leuk huis in Charlois dat ze aan het opknappen waren, maar een open dag in het project van Mei Architecten trok het echtpaar meteen over de streep. Vooral de combinatie van ruimte, uitzicht en industriële vormgeving spreekt het stel aan. Dat de Schiecentrale een verzamelplaats zou zijn voor de creatieve sector, speelde geen enkele rol. Renske: “Ik ben verslavingsonderzoeker, Martin heeft een financiële baan bij het Havenbedrijf. Maar ik vind het leuk als mensen creativiteit met de Schiecentrale in verband brengen.” De architect (die in dit stuk niet wordt genoemd) smult van dit soort verhalen.

Verdichting en vergrijzing

De komende tijd moeten in Nederland veel woningen worden gebouwd, hoofdzakelijk in bestaand stedelijk gebied, aangevuld met voorzieningen die dit ondersteunen, maar ook werkplekken en infrastructuur. Het is onvermijdelijk dat daarbij programma’s moeten worden gemengd, gestapeld en vormgegeven. Voor de architectuur ligt op dit vlak een grote uitdaging. Christian Rapp vraagt zich echter in een interview met de Architect (april 2011) hardop af, of Nederlandse architecten daartoe überhaupt wel in staat zijn.

Om werkelijk groot te kunnen bouwen, zal de Nederlandse architectuur moeten afrekenen met twee bedreigingen. Zo bestaat een stevige tendens om bouwdelen functioneel te verzelfstandigen en vervolgens in een collage samen te brengen. Het gebouw op de foto is hiervan slechts een voorbeeld, Nederland is ermee bezaaid.

De tweede bedreiging is de overtuiging dat de vorm nog altijd de functie moet volgen. Bij een werkelijk groots gebouw is dit vanwege de schaal niet vol te houden. Rapp: “Aan de vorm dient iets te worden toegevoegd, wil een gebouw een expressie krijgen, onafhankelijk van de functie van ervan. De uitdrukking van een gebouw vloeit niet automatisch voort uit het programma. De vorm is geen afbeelding van programmatische onderdelen, maar kent een eigen expressie.”

Brug te ver?

Wie pakt deze grote opgave op?
Wie gaat de uitdaging aan?
Of is dit voor Nederland een brug te ver?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels