blog

Bij de buren (10): werken voor een schijntje

Architectuur

Over geld wordt honderduit gesproken. In het dagelijkse nieuws vliegen ons de miljoenen- en miljardenbedragen om de oren, een blad als Quote haalt de hoogste oplage als ze hun jaarlijkse lijst van de 500 rijkste Nederlanders publiceren en er wordt met graagte geroddeld over het salaris van anderen.

Bij de buren (10): werken voor een schijntje

 

 

Desalniettemin wordt er hierbij vooral over het geld van anderen gesproken. Wanneer het gaat over het eigen salaris, het eigen vermogen of de eigen schulden wordt het een stuk stiller. Dit geldt overigens zowel in Nederland als in Duitsland: spreken over geld lijkt een van de laatste grote taboes te zijn. Tegelijkertijd zijn er opvallende verschillen te zien tussen beide landen. Het lijkt mij daarom interessant om de grenzen van dit taboe eens voorzichtig af te tasten.

Salaris in Nederland

Omdat mijn huidige baan geen onverdeeld genoegen is, ben ik onlangs begonnen met solliciteren. In Nederland wordt, voor zover ik weet, meestal pas in een laat stadium over het toekomstige salaris gesproken. Daarbij is het in de praktijk voor architecten in Nederland relatief overzichtelijk: aan hand van de CAO en functieomschrijvingen is er een relatief beperkte bandbreedte waarin men zich begeeft. Weliswaar kan er gediscussieerd worden over een functiejaar of –groep meer of minder, maar in hoofdlijnen weet iedereen waar hij of zij staat.

Solliciteren met je salariswensen

De situatie in Duitsland is compleet anders. Het is niet ongebruikelijk dat in advertenties gevraagd wordt om in de sollicitatiebrief al een salaris te noemen (de zogenaamde “Gehaltsvorstellung”). Dit maakt onderhandelen natuurlijk erg lastig, zeker ook omdat dit veelal een eerste selectiecriterium blijkt te zijn. In een markt waar het aanbod de vraag enorm overtreft (zoals momenteel bij ons vak het geval is, betekent dat dat veel sollicitanten hun hand niet willen overspelen – en daarom een laag salaris vermelden, om maar aan een baan te kunnen komen.

Van diverse Duitse architecten heb ik inmiddels vernomen dat salariseisen als uitsluitingscriterium gebruikt worden. In de meeste bureaus wordt het portfolio en het C.V. van eenieder die meer dan € 3000,- bruto per maand verlangt meteen terzijde geschoven. Dit geldt voor vrijwel alle functieniveaus, met de logische uitzonderingen: als er hele specifieke eisen gesteld worden, waarvoor het aantal gegadigden per definitie kleiner is, kan er een hogere drempelwaarde gebruikt worden. Zo kan het zijn dat er bijvoorbeeld een projectleider met minimaal 15 jaar beroepservaring gezocht wordt, die vloeiend Russisch spreekt en ervaring heeft in ziekenhuisbouw. Als je aan dit profiel voldoet heb je uiteraard een betere onderhandelingspositie dan wanneer er een architect met 3 jaar ervaring en ervaring met Photoshop wordt gezocht.

Een passend salaris?

Het genoemde bedrag van € 3000,- lijkt echter een soort algemeen aanvaarde bovengrens te zijn. Zo was ik onlangs uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek bij een bureau in Hamburg. Dit was een aangenaam gesprek in alle opzichten: een prettige sfeer, een leuk team, veel vrijheid en verantwoordelijkheid en spannende projecten. Kortom, ik was geïnteresseerd in het bureau en zij leken geïnteresseerd te zijn in mij.

Totdat mijn salariswensen op tafel kwamen.

Laat me voorop stellen: ik ben geen geldwolf, en er zijn zaken die veruit belangrijker zijn. Maar ik vind wel dat een salaris moet passen bij de gevraagde werkprestaties. Net zoals ik vind dat je voor een goede kwaliteit levensmiddelen best wat meer mag betalen dan voor een magnetronmenu van de Lidl, vind ik dat het salaris van iemand met werkervaring en een grote verantwoordelijkheid binnen een bureau ook best hoger mag liggen dan dat van een veredelde stagaire. En als het dan ook nog een paar euro meer is dan bij de voorgaande baan is dat natuurlijk mooi meegenomen.

Dit bleek het betreffende bureau toch net wat anders te zien. Het door mij gewenste salaris is ongeveer conform de Nederlandse CAO en naar mijn idee passend bij de betreffende baan. Nadat ik het bedrag hardop had uitgesproken werd het ijzig stil aan tafel. Beide gesprekspartners schrokken zichtbaar, en wisten na een lange pauze vertwijfeld uit te brengen dat “zelfs onze chef-de-bureau niet zoveel verdient”. De betreffende bureauleider heb ik ook gezien:deze vrouw van 52 jaar oud, meer dan 25 jaar beroepservaring en al meer dan tien jaar bij het betreffende bureau verdient volgens de informatie die ik kreeg precies 3000 euro bruto per maand!

Honoraria in de nederlandse praktijk

Een tweede heikel thema op financieel gebied is het architectenhonorarium. Ook hierover wordt niet graag openbaar gesproken. Bij europese aanbestedingen lijkt soms alsof “wat de gek ervoor geeft” de enige bepalende grondslag is. Het maakt eigenlijk niet uit welk honorarium je schrijft, er lijkt altijd wel weer een mededinger op te duiken die een minder ontwerp probeert te compenseren met een bizar laag honorarium. In sommige gevallen is deze aanbieding dusdanig laag dat je je afvraagt hoe dat betreffende bureau de opdracht überhaupt voor elkaar gaat krijgen binnen de tijd die dat honorarium toelaat.

Laat me dit illusteren met een praktijkvoorbeeld, waarvan de specifieke identificatiekenmerken gecensureerd zijn. Het betrof een opdracht voor een groot, openbaar gebouw, waarvan de stichtingskosten rond de 35 miljoen euro zouden bedragen. Vier van de vijf ontwerpen werden redelijk tot goed beoordeeld, en een viel in negatieve zin op. Op een schaal van één tot tien scoorde deze partij gemiddeld een magere 5,5 voor de stedenbouwkundige inpassing, de logistieke kwaliteit, de uitstraling en het duurzaamheidsconcept.
Vier van de vijf gegadigden lagen qua prijs redelijk bij elkaar, maar de vijfde viel wederom op: ditmaal omdat het gewenste honorarium ruim 300.000 euro lager lag dan dat van de nummer twee. Het zal niet verbazen dat dit de partij was met het matige ontwerp – en dat de betreffende partij er met de opdracht vandoor ging. De Hollandse koopmansgeest had namelijk bepaald dat dit bureau volgens de EMVI-criteria toch echt het beste uit de bus kwam.

Hier blijkt dus dat een opdrachtgever (of het organiserende managementbureau) geneigd is om voor een besparing van drie ton een bureau te selecteren dat de verantwoordelijkheid krijgt over een project dat 35 miljoen kost. Of, beter gezegd: een besparing van 0,85% van de totale kosten is voldoende om met een bijzonder matig gebouw opgescheept te worden.

Het duitse honorarium

De praktijk in Duitsland staat hier lijnrecht tegenover. Het architectenhonorarium wordt hier namelijk vastgelegd als een afspraak tussen alle architecten. Officieel is het strafbaar om af te wijken van deze regels, al weet ik niet hoe dit in de praktijk uitpakt.
Aan de hand van de nodeloos complexe “Honorarordnung für Architekten und Ingenieure” (afgekort tot HOAI) wordt, uit een combinatie van locatie, complexiteit, grootte en te volbrengen diensten, de bandbreedte van het honorarium bepaald. Dit betekent dus niet dat er niet onderhandeld kan worden over de prijs, maar dat er een onder- en bovengrens is vastgelegd.

Hoe de Duitse architecten met deze afspraken het europese kartelambt kunnen omzeilen is mij een raadsel, maar voor de architectuur in het algemeen is het geen slecht systeem. Deze afspraken betekenen namelijk dat het honorarium bij een aanbesteding vrijwel nooit een rol speelt. Omdat elk bureau tot op zekere hoogte hetzelfde honorarium kan verwachten, wordt theoretisch alleen nog maar op kwaliteit beoordeeld.

Een directe vergelijking

Deze praktijk vertoont niet alleen een sterke gelijkenis met de terziele gegane berekenwijzen voor het honorarium van nederlandse architecten, maar minstens zo opvallend zijn de parallelen met de CAO-afspraken voor medewerkers van Nederlandse bureaus.
In beide gevallen zijn er, in overleg met de concurrentie, prijsafspraken gemaakt waar alle bureaus zich in principe aan dienen te houden. Overtredingen van deze afspraken zijn onwenselijk of zelfs strafbaar. Ook wordt in beide gevallen de discussie over geld verder naar achteren geschoven, zodat de inhoud als eerste beoordeeld wordt. Daarnaast lijkt het in beide gevallen zo te zijn dat deze afspraken tot een eerlijkere (hogere) financiële waardering komt, omdat de prijs niet langer een onderscheidende factor kan zijn.

Of dit nou echt taboedoorbrekend is, vraag ik me af. Ik heb tenslotte nergens geschreven over mijn eigen salaris (zowel hetgeen ik in Nederland verdiende, in Duitsland verdien, of in de toekomst wil verdienen), noch over de honoraria die mijn werkgevers in Nederland en Duitsland ontvingen…

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels