blog

Olie op het vuur?!

Architectuur

Vorig jaar stonden grote stukken van de duinen bij Petten en Schoorl in brand. De verantwoordelijke instanties hadden direct hun reactie klaar: er rukten 100 brandweerauto’s uit, met 700 brandweermannen en tien kilometer brandslangen. Er was brede aandacht voor deze kleine milieuramp. Architecten reageren op hun eigen nood volstrekt anders: in plaats van massaal uit te rukken (of op te rukken naar Den Haag) om de heftige brand die woedt in de branche te blussen, gooien ze olie op het vuur. Vanuit de architectenbranche is er geen diepgaande bezinning of reflectie over de toekomst van de branche. Ze opereren als pyromanen die nieuwe brandhaarden ontsteken.

Olie op het vuur?!

Terwijl bureaus verschrompelen naar een minimale omvang, starten we nieuwe kleine bureaus, fakkelen we elkaars werk of werkterrein af, storten we ons en masse op papieren plannenmakerij, studies en onderzoeken en zakken we met de tarieven ver onder het niveau dat nodig is om te overleven. Voor de buitenwereld blijven we uitermate beschaafd en timide terwijl het huis van kennis en kunde van de wereldvermaarde architectenbranche om ons heen afbrandt.

Het aantal symposia en platforms waar over de toekomst en de rol van de architect is gesproken, is aanzienlijk. De BNA heeft er vorig jaar ronde tafelgesprekken aan gewijd die overigens voornamelijk waren gericht op het proces en het behoud van de traditionele positie. Ook de architectentitel is een poging om het auteursrecht en de positie van de architect overeind te houden.

De wereld om de architect en vooral rond het architectenbureau is in korte tijd op verschillende manieren fors veranderd. De complexiteit van opgaven, processen en opdrachtgeverstructuren zijn het laatste decennium fors veranderd. De verstedelijkingsopgave, dé grote opgave van de nabije toekomst, versterkt deze veranderingen in hoge mate. En dan zijn er de bankencrisis, de vastgoedfraude, milieucrisis en crisis bij de corporaties en opdrachtgevers. De branche bevindt zich in het oog van de orkaan .

Wat is ons antwoord op deze structurele veranderingen?

De rol die de architect vervult, kan vervullen of wil vervullen is veel pluriformer geworden. Er liggen volstrekt nieuwe vakinhoudelijke vragen. Te denken valt aan een meer integrale benadering van de schaalgebieden stedebouw, landschap en architectuur en een algemene verbreding van het werkgebied, zoals tot uitdrukking komt in nieuwe contractstructuren.
Is de architect een adviseur, een generalist, een activist, een onderzoeker, een strateeg, een schrijver, een bouwer, een vakman, een initiator en ontwikkelaar, de bondgenoot van de opdrachtgever, het morele geweten van de opgave…? Kan het oude bureau, als relatief kleine partij in het gehele bouw- en planningsproces, tegemoetkomen aan de vragen die worden gesteld? Hoe spelen wij in op veranderingen bij de opdrachtgevers, de partij zonder wie wij niet bestaan?

De architectenwereld bevindt zich in een existentiële crisis. Als er iets is waar een belangenvereniging of bond zich verdienstelijk kan maken voor haar leden, dan is het daaruit een uitweg te vinden. Alle beschikbare (onderzoeks-)middelen moeten daartoe worden ingezet. Geen gepraat over details maar de brand blussen.

BNA Onderzoek

In de huidige tijd van existentiële vragen is het aan de BNA een gidsfunctie op zich te nemen en zo haar leden te helpen. Het is in deze tijd daarom niet gepast beschikbaar onderzoeksbudgetten te besteden aan vakinhoudelijke zaken die al elders zijn gedaan, dan wel elders kunnen worden gedaan. Relevant onderzoek kan wel worden verzameld en aangeboden, maar dat is meer een redactionele taak.

Wat nodig is, is een samenhangende analyse voor de toekomst van de architectenbranche. Kennis hierover moeten de leden van de BNA kunnen krijgen en vinden. Uit dit BNA- onderzoek moet een advies en een visie voor de toekomst van een gezonde architectenbranche kunnen worden gedestilleerd. Dezelfde vragen zijn ook van belang voor het onderwijs.

– Wat moeten de uitgangspunten zijn voor het toekomstige curriculum?
– Hoeveel opleidingscapaciteit is nodig?
– Waartoe moet worden opgeleid?
– Wie worden daadwerkelijk ontwerpers?
– Waar is nog meer behoefte aan?
– Welke afbakening van het werkveld is de goede?
– Geldt in de toekomstige vraag van intensivering van het bestaande nog wel de traditionele opsplitsing in schaalgebieden?
– Zo nee, moet deze in het onderwijs dan ook niet verdwijnen?
– Hoe staat de Nederlandse branche in verhouding met de ons omringende Europese landen?
– Hoe is daar de branche georganiseerd en wat zijn daar de verantwoordelijkheden van de architect?
– Wat verwachten opdrachtgevers van architecten?
– Kunnen architecten deze verwachtingen inlossen en zijn ze daartoe geoutilleerd?
– Wat kunnen we verwachten van opdrachtgevers, wie worden dat in de toekomst?
– Zijn nieuwe allianties nodig?
– Wat is een nieuw en gezond verdienmodel voor de architectenbranche?
– Sluiten de huidige contractvormen aan op de nieuwe werkelijkheid?
– Wordt het allemaal DBFMO?
– Is dit het einde van de DNR?
– Zijn nieuwe allianties denkbaar waarbij de ontwerpers in dienst komen van de producenten? Een auto wordt tenslotte ook niet door een toevallige ontwerper op z’n zolderkamer ontwikkeld en getekend.
De vragen moeten verder worden geformuleerd en aangescherpt. Een poging moet worden gedaan om een nieuw antwoord te formuleren. De BNA moet al haar middelen hiervoor beschikbaar maken en een inhoudelijk onderbouwde visie te ontwikkelen.

Conclusie

De crisis heeft de situatie in de branche verergerd maar is in essentie niet de oorzaak. De huidige aanpak van de BNA om de zakelijkheid van de individuele bureaus te vergroten door tien eenmansbureaus in een zaaltje te zetten en een cursus honorariumonderhandelingen te geven is als een duinbrand bestrijden met een gietertje. De huidige situatie in de architectenbranche moet vanuit een veel breder en hoger blikveld worden bekeken en aangepakt.

Als we niet tussen de verkoolde resten willen eindigen waarbij herstel zeer lang zal duren, zal de BNA uit haar winterslaap moeten ontwaken en een stevig onderbouwd onderzoek en advies voor haar leden moeten opstellen. Dit moet verduidelijken, hoe de brand kan worden geblust. Centrale vraag daarbij is onder welke condities een robuuste nieuwe toekomst mogelijk is voor de architectenbranche. Hopelijk zal deze niet zoals een orkaan eigen is, een spoor van verwoesting achterlaten, maar zo een nieuwe en veel gezondere weg kunnen inslaan.

Bart Mispelblom Beyer en Jurriaan van Stigt

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels