artikel

Tussen thuiskomen en thuis zijn – Een reflectie op hospitality als streven in de stedelijke ontwikkeling

Architectuur Premium

Tussen thuiskomen en thuis zijn – Een reflectie op hospitality als streven in de stedelijke ontwikkeling

Letterlijk betekent hospitality ‘gastvrijheid’. Dat is een positief geladen term. We roemen een land, een cultuur, een stad als het gastvrij op ons overkomt. Je wordt gezien als bezoeker en in de watten gelegd. Niet voor niets hekelen partijen die een strenger immigratiebeleid nastreven de politieke correctheid van hun tegenstanders. Niemand wil immers ongastvrij genoemd worden? De term hospitality is verbonden met ontwikkelingen in de hotellerie. Het is daarom de vraag of dit begrip ook breder inzetbaar is, zoals bij het ontwikkelen van nieuwe woningen of stadsplannen.

Tekst Hans Teerds

Hotels waren natuurlijk altijd al gastvrij. Het behoort immers tot het hart van hun business om gasten te ontvangen en in de watten te leggen. Met hospitality wordt een vernieuwingsslag bedoeld, waarbij de nadruk niet meer op de hotelkamers ligt, maar op de collectieve ruimten van het hotel: de lobby, de lounge, de bar, de gym en de spa. Sommige hotels leggen er zoveel nadruk op, dat ze het ‘einde afkondigen van de kamer zoals we die eerder kenden.’ Wat geboden wordt is geen slaapplek, maar vooral ‘social spaces’ om te werken, te ontspannen, te drinken en ‘like minded people’ te ontmoeten, zoals ZOKU aan de Amsterdamse Weesperstraat potentiële gasten werft.

Work, Meet, Play

Duidelijk is dat ZOKU geen toeristenhotel is, maar zich richt op de zakenreiziger die voor kortere of langere tijd in Amsterdam moet zijn. Bij ZOKU krijgen de gasten een loft met eigen keukenblok (de kamer is niet minimaal, maar schurkt juist aan tegen een ‘normale’ loft – geschikt voor langer verblijf), terwijl tegelijkertijd een keur aan werkruimten, terrassen en gymfaciliteiten voor hen beschikbaar zijn. Daarnaast zijn er ‘sidekicks’: Amsterdammers die de gasten op weg helpen om de stad te ontdekken. ZOKU werd ontwikkeld als long-stay hotel door Hans Meyer, die eerder het CitizenM concept bedacht.

Talloze andere hotels volgen dit patroon. Soms gaat een ketenhotel overstag door een boutiqueketen op te zetten. Vaak zijn het lokale ondernemers – van sportscholen tot horecaondernemers – die zich op de hotelmarkt storten. Sommige hotels zetten het letterlijk op hun website: ‘not for tourists’. Anderen positioneren zich overduidelijk als ‘for the creative industries’. De wereldwijde (zaken)reiziger wordt iets geboden wat exclusief is. Weg van het massatoerisme andere reizigers ontmoeten, een vleugje ‘local flavour’.

Niet alleen ten opzichte van de veranderingen op de zakelijke en toeristische markt heeft de hotellerie zichzelf moeten heruitvinden. Ook ten opzichte van de lokale omstandigheden waren nieuwe stappen noodzakelijk. Vooral in steden waar het toerisme een hoge vlucht heeft genomen en hotels verder en verder over de stad verspreid worden, moeten ze actief aan hun acceptatie in de stad en straat werken. Levert het hotel enkel overlast of heeft het ook iets bij te dragen aan de straat? De lounge wordt een woonkamer voor de buurt. Buurtbewoners kunnen ook gebruikmaken van de fitness en de spa. Het restaurant is goed, en de bar toegankelijk genoeg om er met vrienden af te spreken. Kortom: hier wordt een dubbele beweging zichtbaar. Het hotel als functie in de buurt is tegelijkertijd aantrekkelijk voor globetrotters: te landen in een buurt en een mogelijkheid ‘locals’ te ontmoeten.

De architectuur die bij dit hospitalityconcept hoort, is inmiddels bekend. Grafisch en ontwerpmatig zit het goed in elkaar: de kamers zijn eigentijds, modern en efficiënt, passend bij de zakelijke reiziger. De collectieve ruimten stralen creativiteit uit, ze zijn kleurrijk en vrolijk, warm en comfortabel, liefst met een lokaal tintje. Chesterfields rondom een haard, groepjes fauteuils waarin je kunt wegzakken, werkplekken aan een lange tafel, aandacht voor details, handgeschreven letters op het menu. Het is een combinatie van globaal en lokaal, van op weg zijn en thuiskomen.

Hans-Teerds-maart-magazine-18-Hospitality

Uitdaging door verschil

Het hospitalityconcept dringt inmiddels ook door richting de ontwikkeling van appartementencomplexen. Daarbij vervaagt de scheidslijn tussen het hotel enerzijds en de huurappartementen anderzijds. Immers, hotels bieden appartementen en lofts aan voor langer verblijf, waarbij de lobby in ruimte voorziet voor mogelijke afspraken met vrienden en (zakelijke) relaties. Nieuwe appartementencomplexen kennen eenzelfde opzet: de appartementen worden kleiner (of kunnen gedeeld worden met anderen), de collectieve voorzieningen groter en comfortabeler. Van conciërge tot laundry en van spa tot koffiebar – en zelfs de boodschappen kunnen tot voor de deur afgeleverd worden. Roomservice!

Deze ontwikkelingen haken actief aan bij de gedachte dat mensen in deze tijd op zoek zijn naar uitdagende ontmoetingen (en goede koffie). De stad is weer populair en wie het zich kan veroorloven, vertrekt uit de buitenwijk en verhuist naar de (binnen)stad, om daar op de fiets naar het werk te kunnen of naar een koffiezaak om er te werken en anderen te ontmoeten. Men is dus ook minder vaak thuis. Liever in een openbare gelegenheid wat drinken met de kans onbekenden te ontmoeten, dan thuis alleen zitten te Netflixen. Kortom: er is behoefte aan ontmoetingen, aan het vreemde, aan uitdaging door verschil. De Nederlandse binnensteden hebben hier goede papieren, concludeerde het Planbureau voor de Leefomgeving in 2015. De binnensteden bieden een rijke menging van functies. Die diversiteit zorgt niet alleen dat er ‘voor elk wat wils’ is, maar wordt ook tegenwoordig als aantrekkelijk ervaren. Het zijn de plekken waar we graag zijn, die aantrekkelijk worden gevonden als werkomgeving, waar we met elkaar afspreken.

Hans-Teerds-maart-magazine-18-Hospitality

Het is het inmiddels alom bekende verhaal van de stad als creatieve broedplaats, waar ruimte voor innovatie en ontwikkeling ontstaat door de mogelijkheden elkaar te ontmoeten en uit te dagen. Dat perspectief heeft echter ook de stad veranderd (al is het natuurlijk altijd de vraag of de theorie aan de ontwikkelingen voorafgaat, of dat deze slechts benoemt wat al gaande is). Kantoren ontwikkelen zich in de richting van de ‘hub’: naast werkplekken in een open en creatief vormgegeven omgeving bieden ze ook een goede bar en gym voor de werknemers. In het centrum van de stad is het bruine café een koffiehuis met gratis wifi geworden. De traditionele fitnesschool is omgebouwd tot een heus wellnesscenter. Restaurants komen met concepten waar de gasten dezelfde tafel delen, soms gecentreerd rond de keuken. De stationsrestauratie is allang geen gewoon restaurant voor onderweg meer, maar presenteert zich zelfs als huiskamer voor de stad. En ook de bibliotheek biedt meer dan enkel boeken: een leeservaring met theatervoorstellingen en al.

Wat opvalt in deze ontwikkelingen – en dat is ook goed zichtbaar in architectuur en vormgeving – is de nadruk op de unieke en authentieke beleving enerzijds en de referentie aan ‘thuiskomen’ anderzijds. Ook al willen we graag te midden van anderen zijn, we willen ons er wel thuis voelen. Dat is wellicht ook het hart van gastvrijheid: een vreemde zijn, maar dan zonder dat het ongemakkelijk wordt. Zowel te weinig als te veel gastvrijheid wordt immers oncomfortabel. Die balans tussen uitdaging en thuis zijn is de spanning die in het hart van het hospitalityconcept aanwezig is.

Anonimiteit en diversiteit

Juist die spanning maakt het hospitalityconcept een interessant perspectief voor het denken over ontwikkelingen in de stad en haar openbare ruimte. Het kenmerk van de stad is immers een zekere anonimiteit en diversiteit. Beide worden aangemerkt als zowel een factor van de populariteit van de stad, alsook haar schaduwzijde. Immers, hoe raak je thuis in de stad, in een anonieme omgeving? De mogelijkheid anderen te ontmoeten, een netwerk op te bouwen in de buurt (in tegenstelling tot het globale en virtuele netwerk dat Facebook en andere social media verschaffen), behoort tot de kern van de behoefte ergens te aarden, terwijl dit tegelijkertijd ook de sleutel is tot de genoemde creativiteit, innovatie en uitdaging. De uitdaging voor de nieuwe bewoner ligt wat dat betreft niet ver af van de behoefte van de expat of de zakelijke reiziger. Collectieve ‘huiskamers’, zoals deze nu worden aangeboden bij nieuwe appartementencomplexen of long-stay hotels, lijken daarvoor inderdaad een mogelijkheid te bieden.

Daarbij zijn twee opmerkingen te maken. Allereerst zijn deze huiskamers natuurlijk geen openbare maar collectieve ruimten: ze bedienen een selectief publiek (‘like minded people’), is het niet met een selectief deurbeleid (de prijzen), dan toch zeker door de sfeer van deze ruimten. De architectuur is gecontroleerd, waardoor voor het juiste publiek de juiste atmosfeer gecreëerd wordt. Het idee van je thuis voelen in deze woonkamers moet dan ook, en dat is de tweede opmerking, gelezen worden in de globale context. Het gaat erom, op zijn minst bij de long-stay verblijven, de reiziger zich thuis te laten voelen. Daarmee refereert het niet aan de thuissituatie, noch aan de plaats van het hotel, maar juist aan het kosmopolitische bestaan van de reiziger. Vandaar ook dat het niet gek is dat eerdergenoemde nieuwe hotelconcepten als ZOKU en CitizenM wereldwijd actief op zoek zijn naar locaties om hun activiteiten te ontplooien. Ze kunnen overal hetzelfde gevoel oproepen, eventueel in een mix met wat lokale twists.

De gerechtvaardigde vraag is dan ook of deze vorm van hospitality een stad echt verder helpt. Ja, het biedt een kans de creatieve klasse aan zich te binden. Die ‘klasse’ bestaat immers – zo blijkt steeds meer – uit een groep mensen die elkaar telkens weer opzoeken. Het zijn de kosmopolieten die elkaar in elke stad voor langere of kortere tijd weer weten te vinden. Ze zoeken comfortabele (semi)publieke ruimten om in te werken en anderen te ontmoeten. Maar daarmee biedt deze benadering geen stabiele situatie voor de toekomst. De Canadese econoom Richard Florida, die het boegbeeld is van het nieuwe denken over de stad, rept in zijn nieuwe boek inmiddels over een nieuwe stedelijke crisis, een crisis die door zijn critici al jaren geleden is voorspeld. De keerzijde van de aantrekkelijkheid van de stad is immers wat we nu bijna dagelijks in de krant kunnen lezen: torenhoge huizenprijzen die alleen zeer kapitaalkrachtigen – opnieuw kosmopolieten – zich kunnen veroorloven. Zo ontstaan in het stedelijke weefsel nieuwe enclaves waarvan alleen de kapitaalkrachtigen profiteren.

Hans Teerds maart magazine

Familiariteit met ruimte

Bij het ontstaan van enclaves gaat hier in essentie natuurlijk om verlies van ‘publieke ruimte’ of zoals we het in Nederland meestal noemen, openbare ruimte. Over het algemeen bedoelen we met openbare ruimte alle ruimte die voor iedereen toegankelijk is. Het kenmerk van openbare ruimte is dan ook de diversiteit van haar gebruikers. Dat brengt ons bij een tweede perspectief: zou bij het ontwerp van de openbare ruimte het begrip ‘hospitality’ bruikbaar kunnen zijn? Immers, juist in het ontwerp van de openbare ruimte komt de spanning tussen de uitdaging van het vreemde en de behoefte aan het bekende samen.

In het denken over openbare ruimte wordt die mogelijkheid om de vreemde te ontmoeten vaak centraal gesteld. De Deense architect Jan Gehl formuleerde al in de jaren zeventig zijn aanbevelingen voor het ontwerp van de openbare ruimte. Centraal in zijn aanwijzingen staat de noodzaak voor enig comfort in de ruimte. Waar geen bankjes staan, wordt niet gezeten, en waar niet gezeten wordt, is er nauwelijks kans een ander te ontmoeten, zo kunnen we zijn gedachte simpelweg samenvatten. En terecht: of we een ruimte als doorgangsruimte zien of echt als verblijfsruimte vormgeven, maakt verschil.

Hannah Arendt benadrukt in haar reflecties dat de openbare ruimte – de ontmoeting met de ander – niet zonder risico is. Vandaar dat ze stelde dat voor daadwerkelijke participatie in de publieke ruimte moed noodzakelijk is. Moed om de ander onder ogen te komen en open te staan voor de ander. Daarom stelde ze dat de openbare ruimte niet op zichzelf bestaat. Ze heeft de private (woon)ruimte nodig om vitaal te kunnen zijn. Het private domein verschaft de stadsbewoner een ruimte om zich in terug te trekken, om te recupereren.

Jane Jacobs geeft aan dit perspectief (onbewust) een extra dimensie met haar bekende analyse van de observatie van het straatleven via het keukenraam. Met andere woorden, voor de openbare ruimte is een zekere mate van controle noodzakelijk. Inderdaad, ook voor Jacobs is de openbare ruimte (en de ontmoeting met de ander) niet zonder risico – de ontmoeting met de ander is voor haar niet het ultieme doel. Het ging er haar juist om thuis te zijn in de stad, in de straat, in de buurt. De vreemde kon participeren in het ballet van het straatleven, juist omdat er ook de mogelijkheid bestond het straatleven te observeren vanuit het private domein.

Met andere woorden, een zekere familiariteit met de ruimte, of beter nog met de andere participanten in de ruimte, is een pre. Die familiariteit wordt opgebouwd juist door ontmoetingen, door zien en gezien te worden. Door bekend te raken met het gebruik van een bepaalde omgeving. Hoe eigen je je een stad toe? Door er een dagelijks patroon te ontwikkelen, door ruimte te delen met anderen, door op straat, in het café, bij de groenteboer, anderen te herkennen en door ontmoetingen waardoor je anderen en hun gebruikspatronen leert kennen.

Ontwerp van openbare ruimte

Het hospitalityconcept is wellicht te veel gebonden aan de kosmopolitische leefstijl om deze ook toe te passen op het ontwerp van de openbare ruimte. De stad is immers veel ruwer, weerbarstiger, inflexibeler en onveiliger dan de hospitalitygedachte kan verdragen. Als de nadruk ligt op comfort, is er geen ruimte voor haar schaduwzijde. Tegelijkertijd is er wel degelijk veel te leren van het hospitalitydenken. Ook de openbare ruimte gedijt immers bij een gebalanceerde omgang tussen het onbekende en het bekende, tussen thuiskomen en een vreemde zijn. Dat is een precaire balans, te veel controle legt het leven lam en beperkt de diversiteit. Te weinig controle maakt dat ruimten onprettig gaan aanvoelen. Te veel comfort en de ruimte verliest haar rauwe kant; te weinig comfort en de ruimte is afschrikwekkend. De publieke ruimte moet dus goed ontworpen en uitdagend zijn – aantrekkelijk voor gebruik, om toegeëigend te worden door dagelijkse en afwijkende patronen.

Goed ontworpen en relatief comfortabele ruimten – collectieve woonkamers, bibliotheken als theaters – dragen daaraan hun steentje bij. Ze brengen de stadsbewoners in de collectieve ruimte – zeker ook als de eigen woning een efficiënte woonmachine is geworden. Vandaaruit is het een kleine stap naar de publieke ruimten, althans als deze goed ingebed zijn in het stedelijk weefsel en de grenzen tussen binnen en buiten met elkaar verbonden zijn. Dan creëert de collectieve ruimte een grote versie van Jacobs’ keuken: het ballet op straat observeren en er zo bekend mee raken.

Ook al spreekt Jacobs niet over het private leven, uit haar beschrijving kan toch afgeleid worden dat ook de private ruimte ertoe doet in het publieke leven. Zoals Hannah Arendt dat omschreef in haar reflecties op het publieke leven. Het is de ruimte waarin men zich kan terugtrekken, alvorens weer in het publieke leven te stappen. Het is de ruimte van observatie, bekend raken met – een voorwaarde zouden we kunnen zeggen voorafgaand aan de publieke participatie. Als deze reflectie ons iets te zeggen heeft over de stad, dan toch de noodzaak comfortabele huizen te maken. Maar dat is niets nieuws – dat was al het streven van Adolf Loos, toen hij onder zijn ogen Wenen zag veranderen in een metropool.

Reageer op dit artikel