artikel

Essay: Vakmanschap en vaardigheid – Nederlandse Woningbouw op kruispunt

Architectuur Premium

Door Hans van der Heijden – Een betonnen plafond met diepe V-naden, provisorisch afgewerkt met grof gespoten pleisterwerk, dat is het eerste wat miljoenen Nederlanders elke morgen is zien als zij wakker worden. Lukraak zijn de brandmelder, de ventilatieventielen en het lichtpunt in het plafond opgenomen. Als hun huis ouder is dan een paar jaar, vergelen ze, steeds in andere tinten. Terwijl de architectenwereld steeds meer in de ban raakt van het zogenoemde vakmanschap, lijkt de zorg om het comfort van de alledaagse leefwereld aan de Nederlandse woningbouw voorbij te gaan.

Alweer heel wat jaren geleden sprak een Nederlandse architect op een congres over woningbouw. Het ging over woningen die aan een plas lagen. Er was van alles mis met dat project. De nieuwe plas was te ondiep en zou gaan stinken. De houten gevelbekledingen waren tijdens het uitwerkingsproces omgezet in kunststof delen. “Wonen aan een open riool”, smaalde de ontwerper. Het weerhield de architect er niet van om de woningen vervolgens op een heel persoonlijke manier aan te prijzen. Wat volgde, was een fantasie over een zinderende tocht door het huis met een denkbeeldige geliefde. De rondgang eindigde op het dakterras waar zij in het maanlicht elkaar zouden kussen. Afgaande op de reacties uit het publiek, bleek niet iedereen ontvankelijk voor deze romantiek in een plastic huis aan een siervijver. De lezing is een extreem voorbeeld van de positie die de architect kan innemen, nu die zijn of haar greep op het bouwproces is kwijtgeraakt. De architect speelt voor joker, verzint een verhaal, heeft het niet meer over de bouwtechniek en praat uitsluitend over beelden en exterieurs.

Dit woningbouwproject van Maccreanor Lavington (met Witherford Watson Mann) is onderdeel van een woonwijk met 3.000 nieuwe woningen in Noordwest Cambridge. De trappenhuizen geven op iedere verdieping toegang tot twee appartementen Foto David Grandorge

Richard Lavington is een architect die veel te danken heeft aan de Nederlandse woningbouwpraktijk. Na de winst van de Europan-2 prijsvraag in 1990 bouwde hij met zijn partner Gerard Maccreanor in korte tijd veel woningen in Nederland. Opgeleid en volwassen geworden in een stedelijke ontwerpwereld met ervaringen bij uiteenlopende architectenbureaus (waaronder die van Norman Forster, Neave Brown, David Chipperfield en John Pawson), benaderden zij hun eerste opdracht in Zaanstad zonder noemenswaardige retoriek. Geduldig tekenden zij aan huizen met prominente trappen en erkers. Lavington legde het ontwerp uit door het wonen centraal te stellen. Dat reduceerde hij niet tot een beeld of een exterieur. Hij had het over het uitzicht over de Zaan, de weelde van de erker, het gebruik van de tuin en de stalling van de auto. En als het over het beeld ging, schuwde hij niet om een representatieve waarde toe te kennen aan architectonische elementen als de trap en de erker. Opvallend en inspirerend was dat Lavington erin slaagde om een scherpe architectonische inzet te combineren met een pragmatische benadering van de lokale bouwtechniek en wooncultuur. De woningen waren een commercieel succes op de Zaanse woningmarkt.

Catch and steer

Architecten als Richard Lavington hebben weinig op met de huidige Nederlandse woningbouw. Hij heeft er ook weinig te zoeken. Zijn bureau werkt inmiddels aan groot aantal opgaven in en rondom Londen. Recent werd een project met kleine appartementen, wij zouden zeggen: starterswoningen, in Cambridge opgeleverd. Het project is veel rijper dan de woningen in Zaandam. Wat gebleven is, is de vaste ontwerpershand die zichtbaar is in de organisatie van de woning, de ontsluiting van het blok, de detaillering van galerijen en portieken én de interieurs van de woningen. De gevels kregen hun vorm door een technische observatie. Het blok van vijf lagen was te hoog om de buitenspouwbladen zonder metselwerkdragers halverwege het blok te bouwen. De onderste twee lagen hebben een raster van geprefabriceerde betonkolommen en -balken die het bovengelegen buitenspouwblad van metselwerk dragen. Het voert te ver om te zeggen dat dit ontwerp in één beweging is ontstaan. Het gebouw is geen resultaat van een ontwerpproces waarin alle stappen van elkaar zijn afgeleid. Alle ontwerpkeuzen zijn in het architectonische domein onderzocht en onderhandeld. Daarbij gingen sommige slagen verloren, het toeval speelde een rol en uiteraard is het resultaat beïnvloed door het grote aantal partijen dat betrokken was bij de ontwikkeling.

Het project onderscheidt zich door zorgvuldige detaillering en robuuste materialen die aansluiten op het stadscentrum van Cambridge. Kenmerkend zijn eveneens de gemeenschappelijke hoven en entreeruimten tot de gebouwen  Foto David Grandorge

Lavingtons ontwerphouding lijkt op die van veel Britse generatiegenoten, die gekenschetst kan worden als ‘catch and steer’.1 De architect analyseert investeringsstromen, beslissingsbevoegdheden en maatschappelijke en politieke doelen, hij probeert die te bundelen en te sturen. Cruciaal is het evenwicht tussen het ‘vangen’ en het ‘sturen’. Waar het vangen van intenties niet noodzakelijkerwijs veel met architectuur van doen hoeft te hebben, is het sturen bij Lavington en veel van zijn Britse collega’s strikt architectonisch van aard. De woningen in Cambridge laten vooral dát zien: de galerij is een klassieke architectonische ruimte met een kolommenrij en een houten plafond, de woningen zijn accuraat afgewerkt met geschilderde plinten die overlopen in het timmerwerk van binnendeuren en kasten.

Enige jaren daarvoor ontwierp Lavington samen met Kay Hughes de uitbreiding van hun woonhuis. De houten uitbreiding is tektonisch net zo precies als de woningen in Cambridge. Veelzeggender is dat het interieur precies dezelfde afwerking heeft als de woningen in Cambridge. De architect bouwt voor zichzelf wat hij voor zijn klanten bouwt. Spuitpleisterwerk en kunststof opdekdeuren komen niet voor.

Optimaliseren en sturen

In hoeverre zijn Nederlandse architecten in staat om een dergelijk ‘catch and steer’ in praktijk te brengen? Zoals hierboven al is gesteld, zijn in de Nederlandse praktijk de bouwtechniek, het interieur en de woningplattegrond vaak niet meer in het architectonische domein te vangen. Er valt dan niets te sturen.

Maccreanor Lavington voegde aan een woonblok uit 1967 een uitbreiding toe, die aansluit op de esthetiek van het oorspronkelijke blok. Subtiele verschillen in materialisering en proporties markeren de nieuwbouw  Foto Tim Crooker

Recente openbare gebouwen laten zien dat het daar anders aan toegaat. Bureaus als KAAN Architecten en Benthem en Crouwel Architecten stellen zich als ingenieurs op bij de verkenning van een ingewikkelde DBFMO-opgave als de Hoge Raad in Den Haag en de reeks infrastructurele opgaven van treinstations in Rotterdam, Amsterdam en Delft. De Hoge Raad is een feilloos ontworpen, gebouwd en ingericht gebouw met een nauwkeurig ontworpen neutrale glasgevel. Het station van Delft is omgetoverd tot een logistieke hub waarin het spoor en de fiets op een uiterst intelligente manier zijn verweven met de publieke ruimte en het kanaal voor het stationsplein. Elke centimeter die het station richting binnenstad kon worden geschoven is benut in de engineering van bochtstralen, hellingshoeken en ondergrondse infrastructuur. Ontegenzeggelijk zijn de architecten in staat geweest om te vangen en te sturen. Er is sprake van een verbluffende mate van optimalisatie van de contextuele gegevens rondom het gebouw.

Het station in Delft bestaat uit een ondergronds spoorstation dat is vormgegeven door Benthem Crouwel Architecten en een stationshal en stadskantoor die door Mecanoo Architecten zijn ontworpen  Foto Jannes Linders

Maar wat optimaliseren deze ontwerpen eigenlijk, waarheen sturen zij? Daar wringt iets, iets wat niet noodzakelijkerwijs aan de ontwerpers is toe te schrijven. Het feit dat het gebouw van de Hoge Raad voor enige decennia wordt gehuurd van een bouwconsortium, heeft geresulteerd in een gebouw dat zich niet presenteert als één van de belangrijkste instituten van de Nederlandse democratische rechtsstaat. De glazen doos van KAAN verdraagt blijkbaar niet dat de bronzen beelden van Nederlandse rechtsgeleerden die steeds met de voorgaande verhuizingen van de Hoge Raad zijn meegekomen, aan het gebouw zelf zijn verbonden. Ze staan los op het trottoir, klaar om weer opgetakeld en vervoerd te worden naar een volgend tijdelijk onderkomen. Behalve op de superieure bouwkunde onderscheidt het gebouw zich niet van een gemiddeld ander kantoor. En dat was vermoedelijk precies de bedoeling. Iets dergelijks is aan de orde met het station van Delft. De sublieme driedimensionale ordening van de infrastructuur volstond blijkbaar niet als openbaar gebouw. Francine Houben voegde een Delfts blauw golvend plafond toe in een gebouw dat zich verder hult in een modieus stilzwijgen.

Stap verder

Het Rozet in Arnhem gaat wat dat betreft een stap verder. Het is een gebouw waarin de bibliotheek als stedelijk programma opnieuw is onderzocht. De verdienste van het ontwerp van Neutelings Riedijk is dat het niet zozeer de programmatuur is die architectonisch wordt gethematiseerd, maar de routing door het gebouw. Een brede trap door het gebouw verbindt flexibele vloervelden, waarin de dynamiek van de nieuwe bibliotheek haar beloop kan hebben. Het ontwerp houdt afstand tot de vernieuwingsstormen die om de zoveel jaren opsteken en brengt een basaal architectonisch element in stelling om het gebouw te monumentaliseren: de trap.

Kenmerkend door de Bibliotheek Rozet in Arnhem, een ontwerp van Neutelings Riedijk Architecten, is de trap die langs de noordgevel omhoogloopt en zich halverwege verbreedt tot een binnenplein  Foto Katja Effting

Minder retorisch en radicaler is het station in Breda naar ontwerp van Koen van Velzen. Het openbare, infrastructurele programma is hier in een duizelingwekkende combinatie van architectonische elementen die de verkeersstromen van auto, bus, fiets, trein en wandelaar in een groot ensemble oplossen. Van Velzen spreekt een eenvoudige taal. Hij laat foto’s zien van pasfotohokjes die het oude station in Breda sierden en spreekt over de openbare ruimte die wordt opgeëist door de commercie. Hij herinnert aan de kwaliteit van een pleisterplaats, die ooit eigen was aan het station. Dat alles is de reden om van het station één groot ensemble te maken waarin ook woongebouwen zijn opgenomen. Je zou het een ‘Grossform’ kunnen noemen, een stedelijke vorm die simpelweg door zijn omvang en de kwaliteit van zijn eigen aanwezigheid orde op zaken stelt in de stad. Maar ook hier kiest de architect voor een strikt architectonisch repertoire van kolommen met cannelures, winkelreclames die zijn ingekaderd in de gevels, hellingbanen en trappen en besloten stationspleinen aan beide zijden van het gebouw.

De entreehal van de Hoge Raad in Den Haag door KAAN Architecten. De bovenbouw met werkvertrekken, bibliotheek en restaurant is gescheiden van de sokkel waar de representatieve functies zijn gelegen  Foto Fernando Guerra

De ontwerpen voor de Rozet en het ov-knooppunt Breda hebben de stedelijke investeringsstromen niet alleen gevangen, maar ook succesvol gestuurd door bevattelijke architectonische elementen te monumentaliseren. Nog niet alles is verloren aan het representatieve vermogen van openbare gebouwen, zelfs als de Nederlandse overheid dit probleem uit de weg gaat.

Behoefte aan visie, ideevorming en aansprekende voorbeelden

De vraag blijft hoe het nu zit met de Nederlandse woningbouw, een praktijk van ‘catch nor steer’, in een wereld die in ban is van vakmanschap. In de eerste plaats is het nodig om de notie van vakmanschap te ontdoen van de betovering die uitgaat van het woord zelf. Het vakmanschap van een architect is een ander dan dat van vaklieden op een bouwplaats. De architect integreert, hij of zij vangt en stuurt binnen complexe netwerken en werkt in een industriële werkelijkheid. Het is niet de architect zelf die de schilderachtige weemoed van het verloren ambacht in herinnering brengt.

De ov-terminal Breda, een ontwerp van Koen van Velzen, is ontworpen als een karaktervol gebouw dat hecht is verweven met de omliggende stad en de structuur ervan verstevigt  Foto René de Wit

In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat een verschil bestaat tussen ‘craft’ en ‘skill’, oftewel tussen vakmanschap en vaardigheid. De vaardigheid om complexe contextuele verhoudingen te optimaliseren is toch echt iets anders dan het vakmanschap waarin die diezelfde vaardigheid verbonden is aan visie en architectonisch raffinement.

Zo bezien heeft de Nederlandse woningbouw dringend behoefte aan visies, ideevorming en aansprekende praktijkvoorbeelden. Zou de moderne woningbouwer kunnen leren van bijvoorbeeld het industrial product design, waarin de behoefte van de markt aan comfort en betaalbaarheid van alledaagse gebruiksvoorwerpen uitgebreid wordt onderzocht?

 

Noten

  1. Zie ook de publicatie Catch and Steer uit 2014, terug te vinden op www.hvdha.com

 

Meer lezen over woningbouw? Lees hier het digimagazine Woningbouw

Reageer op dit artikel