artikel

Column: Dood van de architect als dienstverlener

Architectuur Premium

door Gideon Boie – Hoe komt het dat het collectief ROTOR tot nu toe enkel is gepubliceerd in editie 2009 van het Jaarboek Architectuur Vlaanderen? Het project ‘RDF181’ (2008) betrof een tijdelijke installatie, opgebouwd uit recuperatiemateriaal tegen een wachtgevel aan de Vlaamse Steenweg in hartje Brussel. Opmerkelijk genoeg verdween ROTOR uit beeld in de latere jaarboeken (nu gepubliceerd onder de naam Architectuurboek), net op het moment dat zijn eigenzinnige recyclagepraktijk de wereld rondgaat. Deze anekdotische kwestie brengt ons op een oorspronkelijke mythe in de architecturale discipline: een architect moet ‘het’ gemaakt hebben. De bouwpraktijk is de olifant in de kamer van de architectuur.

Sinds Geert Bekaert doen we er alles aan om de architectuurcultuur te onderscheiden van de banale bouwpraktijk en toch is het heel moeilijk om afscheid te nemen van het bouwen. De tijdelijke installatie van ROTOR aan de Vlaamse Steenweg kwam het dichtst bij wat wij herkennen als architectuur en zelfs dan vergde de publicatie sleurwerk in de selectiecommissie (daarover kan ik getuigen). Het project is gedocumenteerd met een typische projectbeschrijving die ingaat op enkele markante esthetische en bouwkundige details van de constructie. Nochtans was de nutswaarde van de tijdelijke installatie niet heel groot – het deed dienst als bouwkeet van ROTOR. Veel belangrijker was de symboolwaarde als een levensgroot manifest bij de beginnende praktijk van het collectief.


Beeld ROTOR

In de aanschouwing van het gebouwde object worden alle andersoortige expressies in de architectuur verdrongen. De ‘Orbanistische’ visioenen van T.O.P. Office van Luc Deleu zijn van meet af aan geëvacueerd naar de wereld van de kunst. Op dezelfde manier werden al zijn ‘voorstellen’ veilig ondergebracht in de kunstcollecties – Smak, Muhka en Stroom Den Haag – om het vooral niet serieus te nemen. Stel je maar eens voor hoe anders onze leefomgeving eruit zou zien als we geloof hadden gehecht aan Luc Deleus ‘Laatste steen van België’ (1979). Nee hoor, de architect is een slaafse dienstverlener van de bouwpraktijk. De schoonheid is het hogere doel die elk bouwproject legitimeert (al dan niet met een knipoog). Als de architect geen opdracht krijgt, wacht hij geduldig op een (open) oproep van één of andere Bouwmeester.

Parallelle wereld

‘Van België naar Nergens’ was de toepasselijke titel van een tentoonstelling van Wim Cuyvers in kunstencentrum Stroom Den Haag. In dezelfde periode verhuisde Wim Cuyvers naar de Franse Jura. De verhuizing was niet zomaar een geografische re-lokalisatie van een architectenpraktijk, maar stond symbool voor een vrijwillige exodus uit een verstikkende discipline. In België was geen plaats voor Cuyvers’ eigenzinnige architectenpraktijk die steeds meer de kant opging van obscure registraties en bevreemdende interventies in de marges van de stedelijke ruimte. Wat te denken van het tentenkamp op de begraafplaats van godverlaten Rozebeke, deelgemeente van Zwalm, als een bezinning op de verschraling van de publieke ruimte door kunsttours. De architect doet zo wat eerst onmogelijk gedacht werd: de opdracht – haar eigen mogelijkheidsvoorwaarde – radicaal ter discussie stellen.

De overstap van architecten naar de wereld van de kunst is dus niet een stap naar de irrelevantie. De parallelle wereld van de kunst is de plaats van een architecturale ‘agency’ (handelingsbekwaamheid) die niet langer gelegitimeerd en gelimiteerd wordt door de opdrachtgever. Denk aan de installatie van Gijs Van Vaerenbergh in het kader van de kunstbiënnale Festival Kanal Play Ground (2014), waarin met standaardelementen van een torenkraan een tijdelijke brug over het Kanaal in Brussel is gebouwd. De architecten werden gevraagd voor de scenografie van een tentoonstelling in het leegstaande Postgebouw, maar verschoven de aandacht naar het onderwerp van het festival: het kanaal. Hiermee kun je de brug lezen als een metacommentaar op het festival, dat vooral de ontwikkelingspotenties van de kanaalzone in beeld wilde brengen. Ondertussen blijft Molenbeek een no-gozone, alle bouwprojecten aan het kanaal ten spijt.

beeld BAVO / Gideon Boie

Afbraak als feest

Vandaag de dag gaat de praktijk van ROTOR een stap verder in het ondermijnen van de rol van de architect als bouwer. In zijn recente projecten staan afbraak en hergebruik centraal in de architectuurpraktijk. “De dramatische moord op een gebouw is een verlangen naar een onmogelijke zuiverheid en als je hen de kans geeft, zal een architect gewoonlijk kiezen voor de afbraak van het werk van een andere architect”, schreef Keller Easterling. In de parallelle werkelijkheid van ROTOR wordt de ontmanteling van een gebouw een feestelijke gebeurtenis. In de architectuurbiënnale van Venetië 2010 werden afbraakelementen gepresenteerd als hoogtepunten in suprematisme ter bezinning van het gebruik der materialen. In de spin-off ROTOR Deconstruction wordt het afgeleefde gebouw van BNP-Paribas-Fortis in Brussel een goudmijn van grondstoffen – van valse plafonds tot trapdelen en deurklinken.

De praktijk van ROTOR is een heroïsche poging om uit de rol van de architect-dienstverlener te stappen. De wereld van de kunst vormt een eerste vluchtlijn. Een andere mogelijkheid is het ontwerpatelier om te vormen tot een publiek toegankelijke verkoophal voor tweedehandsmateriaal. Ondertussen koppen de kranten dat een apotheek in Schaarbeek versierd is met het fonkelende ‘Jules Wabbes’ plafond uit het BNP-Paribas-Fortis-gebouw. De cirkel is bijna rond. De annalen van de architectuur volgen wel. Maar wat doen we met Mr. Architect? De architect zoals we die kenden is dood, maar voorlopig spookt zijn schaduw nog door de stad. Veertig jaar na datum klinkt Luc Deleus ‘Voorstel tot afschaffing van de wet op de bescherming van de titel en het beroep van architect’ (1978) als een memento mori.

 

Meer uit de Architect magazine november 2017

Reageer op dit artikel